Een marktvorm beschrijft hoeveel aanbieders er op een markt zijn en hoeveel invloed zij hebben op de prijs. In de economie onderscheid je vier marktvormen: volkomen concurrentie, monopolistische concurrentie, oligopolie en monopolie.
De vier marktvormen
Volkomen concurrentie: heel veel aanbieders, een homogeen product (bij elke aanbieder precies hetzelfde) en een doorzichtige markt. Niemand kan de prijs beïnvloeden: elke aanbieder is een hoeveelheidsaanpasser. Voorbeeld: de markt voor aardappelen.
Monopolistische concurrentie: veel aanbieders, maar elk product is een beetje anders (heterogeen). Door merk, service of locatie heeft elke aanbieder een beetje invloed op zijn eigen prijs. Voorbeeld: kappers en restaurants.
Oligopolie: een paar grote aanbieders die rekening houden met elkaars reactie. Voorbeeld: telecomaanbieders of supermarktketens.
Monopolie: één aanbieder en geen goede vervangers. De monopolist bepaalt zelf de prijs. Voorbeeld: ProRail voor het spoor.
Voorbeeld 1: welke marktvorm?
In een stad zijn veertig bakkers. Elke bakker heeft eigen recepten en vaste klanten.
Veel aanbieders: dat past bij volkomen of monopolistische concurrentie.
Het brood is niet overal hetzelfde: het product is heterogeen.
Antwoord: monopolistische concurrentie.
Voorbeeld 2: prijsafspraken
Drie bouwbedrijven doen bijna alle grote wegenbouwprojecten in een land. Ze spreken af om niet onder een bepaalde prijs in te schrijven.
Een paar aanbieders die rekening houden met elkaar: een oligopolie.
Door de afspraak gedragen ze zich samen als één monopolist. Zo'n afspraak heet een kartel en is in Nederland verboden. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) houdt daar toezicht op.
Veelgemaakte fouten
Alleen naar het aantal aanbieders kijken. Bij veel aanbieders bepaalt het product (homogeen of heterogeen) of het volkomen of monopolistische concurrentie is.
Denken dat een monopolist elke prijs kan vragen. Hij kiest de prijs, maar bij een hogere prijs verkoopt hij minder.
Monopolistische concurrentie verwarren met monopolie. De namen lijken op elkaar, maar bij monopolistische concurrentie zijn er juist veel aanbieders.
Handige tips
Stel bij elke opgave drie vragen: hoeveel aanbieders zijn er, is het product homogeen of heterogeen, en kunnen nieuwe aanbieders makkelijk toetreden?
Hoe minder concurrentie, hoe meer invloed op de prijs. Bij volkomen concurrentie is die invloed nul, bij een monopolie het grootst.
Even een korte break
Met meer dan 22 jaar aan ervaring, weten we hoe lastig het kan zijn om in je eentje dit onderwerp onder controle te krijgen, laat ons jou helpen door je te koppelen aan een bijlesdocent. Meer dan 50.000 leerlingen gingen je al voor!
Oefen dit onderwerp direct
Klaar om het zelf te proberen? Hieronder oefen je meteen met dit onderwerp:
Deze content is gebaseerd op de oefenstof die is gemaakt door studenten die zich in het netwerk bevinden van StudentsPlus. Deze studenten studeren aan de lerarenopleiding of zijn al afgestudeerd docent. Uiteraard is de oefenstof gecheckt door andere studenten en is er ook een check geweest op correct Nederlands.